Geheimhouding en het voeren van verweer in tuchtzaken

Op tuchtrecht.nl lees je met enige regelmaat over advocaten die al dan niet met een niet geslaagd beroep op wat dan ook, de deken niet antwoorden. Dat kost in de regel een berisping en de raden en hof overwegen dan dat de deken zonder de plicht van gedragsregel 37 zijn werk niet kan doen.

De keerzijde doet zich ook met grote regelmaat voor: een advocaat die in alle oprechtheid meent niet verkeerd te hebben gedaan en graag wil argumenteren hoe en waarom. En rechters hebben in de regel een nieuwsgierige basishouding. Ze willen weten hoe het zit. Als een rechter een antwoord wil hebben en degene die dat antwoord zou moeten geven doet dat niet, verbindt hij daar nog wel eens de gevolgen aan die hem geraden voorkomen. Wat knelt er nu?

  1. Is het standpunt dat de geheimhouding je belemmert te reageren inderdaad chicaneus?
  2. Hoe op een juiste manier te antwoorden op vragen van de deken en op een juiste manier verweer te voeren? Dus niet ongenuanceerd leeglopen bij de tuchtrechter.

Diverse beroepsgroepen dienen bij hun beroepsuitoefening geheimhouding te betrachten. Zodra een professional een geheimhoudingsplicht heeft, is sprake van invloed op zijn mogelijkheden verweer te voeren.

  1. De eenvoudigste verhouding is: klacht cliënt over zijn eigen advocaat. een advocaat mag dan vol verweer voeren. De consequentie van het klagen is dat de advocaat in zijn verweer niet gebonden is aan zijn geheimhoudingsplicht jegens zijn cliënt. De prijs die de cliënt betaalt voor het indienen van de klacht is daarmee dat de deken en de tuchtrechters kennis nemen van hetgeen anders vertrouwelijk was gebleven. De vraag of sprake is van schending als deze functionarissen kennis nemen van vertrouwelijkheden zal ik zo behandelen.
  2. Ingewikkelder wordt het wanneer een ander klaagt. Deze anders is grofweg te verdelen in drie groepen:
    1. de wederpartij
    2. een derde
    3. de deken

ad a en b. De eerste en twee categorie lijken veelal op elkaar. Een derde is h misschien niet formeel, maar materieel zal het zo voelen. Jegens een derde of een wederpartij mag je je geheimhouding over je cliënt niet schenden. Klachten tegen de advocaat van de wederpartij of klachten van derden worden altijd beoordeeld vanuit een bepaald perspectief: De advocaat van de wederpartij heeft een grote mate van vrijheid die echter niet onbegrensd is. Een advocaat mag niet onnodig grieven en mag een de belangen van de wederpartij niet onnodig schaden. Als je in die context verantwoording wil afleggen, wil je graag alle belangenafwegingen, botsende kernwaarden en normen in de weegschaal kunnen leggen om de tuchtrechter een afgewogen oordeel te kunnen laten vellen. In de praktijk zie je advocaten verantwoording afleggen en zich, althans zo lijkt het, niet al te veel zorgen te maken over de geheimhouding die ze in acht moeten nemen. De betrokken partijen zijn soms niet eens op de hoogte van een tuchtzaak, dus de kans dat het niet goed afloopt is niet zo groot, maar dat laat de vraag of het goed loopt natuurlijk onverlet. Daarnaast zal ongetwijfeld van invloed zijn de wens van de advocaat er zonder gegrondverklaring van af te komen, en niet is uit te sluiten dat deze drang mede bepaalt dat de advocaat de geheimhouding en de beperkende werking daarvan op zijn vrijheid zich te verweren niet realiseert.

ad c. De deken niet antwoorden is niet slim. Dat wordt stagiaires vanaf dag één al geleerd in de beroepsopleiding. Een advocaat dient op grond van gedragsregel 37 de deken te antwoorden: Bij een tuchtrechtelijk onderzoek of op een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek of een aan de deken opgedragen onderzoek verband houdt is de advocaat tegen wie het onderzoek of de controle is gericht, verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen. De advocaat die overweegt zich op een bijzonder geval te beroepen, overlegt met de deken. En dekenbezwaar over het niet of niet tijdig antwoorden van de deken wordt in de regel gegrond verklaard en vaak zie je dat een berisping wordt opgelegd en wordt overwogen dat naleving van regel 37 noodzakelijk is om de deken zijn werk te kunnen laten doen. Relevant voor mij betoog is hetonderscheid tussen het niet of niet tijdig reageren en het niet volledig reageren in verband met de beperking die de professional voelt in zijn geheimhouding.

Het doel van de geheimhouding is dat derden geen kennis nemen van informatie die een cliënt een advocaat heeft toevertrouwd. De geheimhouding wordt verankerd door het daarbij behorende verschoningsrecht, bedoeld voor de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd, en aan wie in verband daarmee tevens het recht toekomt zich te dien aanzien ook ten overstaan van de rechter van het afleggen van getuigenis te verschonen. (HR 1maart 1985, NJ 1986, 173 – Liefdehuis en Notaris Maas arresten) Die cliënt mag erop rekenen dat die informatie niet gaat zwerven. Ook over informatie van de wederpartij of een derde kan gesteld worden dat een advocaat die vertrouwelijk dient te behandelen. Te denken valt aan informatie over de gezinsleden waarover in een echtscheidingszaak wordt gecorrespondeerd of geschreven. De plicht rust op de advocaat. Zij kantoorgenoten en personeel hebben een afgeleide geheimhoudingsplicht. De advocaat is gehouden ervoor te zorgen dat zijn kantoororganisatie zodanig is ingericht dat de geheimhouding wordt geborgd.

Bij de behandeling van een klacht nemen diverse personen kennis van de inhoud van het verweer: de klager, de deken en zijn staf, het tuchtcollege, degenen die werkzaam zijn bij de tuchtcolleges, degenen die de openbare zitting bijwonen of de uitspraak van de beslissing aanhoren en degenen die de geanonimiseerd uitspraak lezen op tuchtrecht.nl. Tot slot wordt in de pers soms met naam en toenaam melding gemaakt van uitspraken van de tuchtrechter. Door het wegvallen van de anonimiseren wordt ook een deel van de zaak geopenbaard. En tevens is een uitspraak, hoezeer deze ook volgens de richtlijnen is geanonimiseerd door iemand die enige kennis heeft van een zaak, te herleiden tot die ene zaak. De vraag rijst of de geheimhouding niet wordt geschonden doordat de hiervoor omschreven betrokkenen kennis nemen van de inhoud van het door de professional gevoerde verweer.

Hoe is de geheimhouding van deze diverse betrokkenen geregeld?

Als de klager cliënt is, wordt die klager geacht met het indienen van de klacht de geheimhoudingsplicht van de advocaat te hebben opgeheven. de advocaat kan vol verweer voeren. De deken en zijn personeel nemen kennis van de stukken. Heeft de deken een geheimhoudingsplicht?

Paragraaf 3a van de Advocatenwet luidt: Toezicht Het eerste lid van die paragraaf is artikel 45 a, waarvan lid 3 Aw luidt: Ten behoeve van het houden van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, zijn de advocaat, zijn medewerkers en personeel, alsmede andere personen die bij de beroepsuitoefening betrokken zijn, niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 11a. In dat geval geldt voor de deken alsmede voor de door hem ten behoeve van de uitoefening van het toezicht ingeschakelde medewerkers, personeel en andere personen een geheimhoudingsplicht, gelijk aan die bedoeld in artikel 11a. Wat opvalt is dat dit artikel spreekt over toezicht en niet over, zie de tekst van gedragsregel 37 (Bij een tuchtrechtelijk onderzoek of op een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek of een aan de deken opgedragen onderzoek verband houdt is de advocaat tegen wie het onderzoek of de controle is gericht) een tuchtrechtelijk of mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek. Is dat onderscheid van belang? Ja, de deken is een orgaan, in het leven geroepen in de advocatenwet. De deken heeft verschillende taken en bevoegdheden. In het advies getiteld “Heeft de lokale deken een geheimhoudingsplicht en een verschoningsrecht?” van mr. Bannier cs aan de AR over de geheimhouding van de deken uit 2008 worden taken a t/m l opgesomd. Na de wetswijziging van 1 januari 2015 zijn er diverse taken bijgekomen. De rechtsbescherming tegen handelingen van de deken en Raad van de Orde zijn verschillend. Meestal wordt bestuursrechtelijke traject gevolgd op de toezichthoudende beslissingen en het tuchtrechtelijk traject wordt gevolgd op het tuchtrechtelijke. Maar (!!),de deken kan een tuchtrechtelijk traject starten als zijn toezichthoudende taak tot de conclusie leidt dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Ik meen dat voor de toepassing van de vraag of sprake is van geheimhouding dus onderscheid gemaakt moet worden tussen de verschillend bevoegdheden die de deken kan uitoefenen, waarbij het extra ingewikkeld is dat sommige dossiers als toezicht dossier beginnen en daarna van kleur verschieten tot een tuchtrechtelijk dossier. Waarom dit onderscheid? Vanwege het antwoord op de volgende vraag?

Is de conclusie te trekken dat de deken geen geheimhoudingsplicht heeft over zaken waarvan hij kennis neemt in zijn hoedanigheid van onderzoeken in tuchtprocedures (terug te vinden in paragraaf 4 – NB en dus niet paragraaf 3a - van de Advocatenwet)? Tot 1 januari 2015 stond de geheimhouding van de deken niet in de wet. In de literatuur werd wel aangenomen dat de deken ook voor 1 januari 2015 al een geheimhouding had. Die conclusie werd in het advies getiteld “Heeft de lokale deken een geheimhoudingsplicht en een verschoningsrecht?” door de schrijvers gebaseerd op het systeem, de jurisprudentie en de literatuur, en het Europees Recht. De schrijvers menen dus dat de deken al voor 1 januari 2015 een geheimhoudingsplicht en daarmee samenhangend verschoningsrecht had, maar adviseerden, gezien de toenemende druk op het verschoningsrecht het desalniettemin wettelijk te verankeren, bijvoorbeeld met een toegevoegd lid aan artikel 35 Aw luidende:

De Deken is verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hem in zijn hoedanigheid wordt toevertrouwd bij het uitoefenen van de taken die hem in of krachtens de wet worden opgedragen, behoudens voor zover openbaar maken uit die uitoefening voortvloeit. Ter zake van hetgeen onder deze geheimhoudingsplicht valt, komt de Deken een verschoningsrecht toe. Ik merk op dat als deze tekst in de wet was opgenomen de bepaling zou gelden voor alle functies die de deken in de praktijk heeft: dus alle petten die hij op kan hebben.

Ik verwijs naar de tekst van artikel 45a lid 1 Aw : De deken van de orde in het arrondissement is belast met het toezicht op de naleving door advocaten die kantoor houden in dat arrondissement van het bepaalde bij of krachtens deze wet met inbegrip van toezicht op de zorg die zij als advocaten behoren te betrachten ten opzichte van degenen wiens belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, inbreuken op verordeningen van de Nederlandse orde van advocaten en enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Het onderstreepte deel betreft een deel van de tekst van artikel 46 Aw, de norm van de tuchtrechtspraak. Dit is dus een argument dat pleit voor de constatering dat dal het werk van de deken valt onder een geheimhouding, maar ik waag toch te betwijfelen of daarmee de handelingen van de deken die hij op grond van de na artikel 46 Aw opgenomen artikelen verricht. Artikel 45 a heeft het over toezicht. Regel 37 heeft het over tuchtrechtelijk onderzoek enerzijds en onderzoek/controle anderzijds.

 

De vraag is dus gerechtvaardigd of de geheimhouding van de deken ook betrekking heeft op het onderzoek dat hij doet in tuchtzaken. Is dat op eenzelfde manier verankerd in het systeem zoals de schrijvers betoogden voor 1 januari 2015? Ik meen van niet. Natuurlijk moet een advocaat de deken antwoorden, maar dat is iets anders dan zo uitgebreid antwoorden dat de geheimhouding wordt geschaad of mogelijk wordt geschaad. Het wonderlijke van gedragsregel 37 is dat je als advocaat moet overleggen met de deken over de vraag of je de deken wel of niet volledige openheid van zaken mag geven. Is dat wel de aangewezen persoon/functionaris?

De medewerkers van de deken vallen onder zijn geheimhouding, via artikel 45 a lid 3.

Hoe staat het met de leden van de tuchtcolleges, de griffiers en de griffiemedewerkers? In art 1g van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra), is bepaald dat rechters en ondersteunend personeel een eed of belofte moet afleggen, en daarnaast dient hij een formulier te ondertekenen op grond van het besluit rechtspositie rechtelijke ambtenaren. Leden van de tuchtcolleges zijn deels rechters, die dus deze bepaling hebben ondertekend. Blijft slechts over de vraag of de werkzaamheden voor de tuchtcolleges als “bij de uitoefening van zijn taak” kunnen/moeten worden gekwalificeerd. Daar ben ik bepaald niet gerust op. Dit geldt niet voor de leden beroepsgenoten in het college en ook niet voor de griffiers en griffiemedewerkers, die in dienst zijn van de Sota.

Hoe staat het met de openbaarheid van de procedure?

Wat doet een deken met het verweer dat je voert? Eén op één doorsturen naar de klager ( zie artikel 2 lid 4 Leidraad dekenaal onderzoek). Het schriftelijk verweer kan dus geen gegevens bevatten die niet naar de klager mogen worden doorgestuurd. Als de advocaat mondeling met de deken overlegt (de reflex van de meeste advocaten zal hopelijk zijn: vastleggen, want je weet maar nooit hoe en wanneer deze communicatie bewezen moet worden) neemt de deken wel kennis van het geheime stuk en de klager niet. Daarmee schendt de deken de door hemzelf opgestelde richtlijn. Ook afgezien van de leidraad, meen ik dat een deken gehouden is bepaalde regels van de goede procesorde als het recht op hoor en wederhoor toe te passen. Sommige dekens beperken zich tot een onderzoek en presenteren dat aan de raad van discipline. Andere dekens sluiten hun onderzoek af met een dekenaal oordeel, dus niet alleen in de situatie als bedoeld in art 46 d lid 8. Ik meen

 

dat hoe meer een deken er een heuse procedure van maakt en een oordeel velt (dat weliswaar vaak wordt afgesloten met een als een rechtsmiddelclausule klinkende zinsnede als: u hoeft dit oordeel niet te accepteren en heeft het recht de klacht voor te leggen aan de tuchtrechter, de raad van discipline), hoe meer dit standpunt door klagers en verweerders als een oordeel, een beslissing op de klacht worden ervaren, en dus hoe meer de deken de goede procesorde in acht dien te nemen. Heeft de deken dan nog de vrijheid heeft informatie, verkregen van een verweerder misschien zelfs onder toepassing van het voorschrift van GR 37, niet aan de klager door te geleiden.

De tuchtprocedure bij de deken is niet openbaar. Partijen die bepaalde interesse hebben in stukken die zich onder de deken bevinden proberen deze wel met een beroep op de WOB te verkrijgen. De laatste beslissing van de Raad van State leidde niet tot openbaarmaking, maar de verzoeken n jurisprudentie ie redelijk specifiek en steeds weer afhankelijk van de taak van de deken in dat specifieke geval en de wettelijk bepalingen die voor dat specifieke stukje gelden.

Wob zaak ECLI:NL:RVS:2014:2602

Verzoeker wil afgifte/inzage in zogenaamd dekenstandpunt. De deken weigerde dat omdat hij stelde dat het geen bestuurlijke aangelegenheid betrof als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder b van de Wob.

“De rechtbank heeft overwogen dat de Deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het opstellen van een dekenstandpunt geen bestuurlijke aangelegenheid is en de afwijzing van het verzoek derhalve terecht heeft gehandhaafd. Het opstellen van een dekenstandpunt over een tegen een advocaat ingediende klacht geschiedt in het kader van de uit te oefenen tuchtrechtspraak voor de advocatuur. Het opstellen van een dekenstandpunt is derhalve een aspect van de tuchtrechtspraak voor de advocatuur en geen bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob, aldus de rechtbank.”

“Tussen partijen is in geschil of het dekenstandpunt een bestuurlijke aangelegenheid is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 12 december 2012 in zaak nr. 201202578/1/A3), moet de term "bestuurlijk" in dit verband ruim worden opgevat en heeft deze betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten.

Het gevraagde stuk ziet op de uitvoering van een publieke taak van de Deken inzake een klachtprocedure zoals neergelegd in de Advocatenwet. Het stuk moet dan ook worden aangemerkt als een document over een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in voormelde bepaling van de Wob. Dat het dekenstandpunt is opgesteld in het kader van de door de Raden van Discipline uit te oefenen tuchtrechtspraak voor de advocatuur, maakt dat niet anders. Zoals [appellant] terecht heeft betoogd, is in de Advocatenwet ter zake geen uitputtende openbaarmakingsregeling opgenomen die derogeert aan de Wob.

WOB zaak:ECLI:NL:RVS:2017:715

Verzoeker vraagt informatie over een tuchtrechtelijke uitspraak. De deken hoefde die informatie niet te geven omdat de specifieke bepalingen uit de Advocatenwet over openbaarmaking van uitspraken en bestuur sancties die derogeren aan de bepalingen uit de Wob.

“De wetgever heeft "voorzien in een gedifferentieerd openbaarmakingregime. Hiermee wordt bereikt dat de openbaarmaking van persoonsgegevens van advocaten niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen van derden en een zuiverende werking binnen de beroepsgroep". De wetgever heeft het disproportioneel geacht om de lichtere tuchtrechtelijke maatregelen voor een ieder openbaar te maken (Kamerstukken II 2010/11, 32 382, nr. 8, p. 7, 9). Indien klachtdossiers op basis waarvan al dan niet een tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd onder de Wob zouden vallen, zou afbreuk worden gedaan aan de Advocatenwet nu de wetgever daarin de belangen die bij openbaarmaking zijn gediend en het belang van de advocaat bij geheimhouding uitdrukkelijk heeft afgewogen. Bovendien is sinds de wetswijziging per 1 januari 2015 ter bescherming van de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt in artikel 11a van de Advocatenwet een geheimhoudingsplicht voor de advocaat en in artikel 45a een afgeleide geheimhoudingsplicht voor de Deken neergelegd. Alleen in door de wetgever bepaalde gevallen kan deze geheimhoudingsplicht worden doorbroken. In het kader van zijn toezichthoudende taak naar aanleiding van een klacht kan onder de Deken informatie komen te berusten waarop de geheimhoudingsplicht van de advocaat van toepassing is. Indien op deze informatie de Wob van toepassing zou zijn, zou dat ertoe kunnen leiden dat informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt voor een ieder openbaar zou moeten worden gemaakt. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de goede werking van de Advocatenwet.”

De zitting bij de tuchtrechter is in beginsel wel openbaar (art 49 lid 11 Aw). In bijzondere gevallen kan de behandeling met gesloten deuren plaatsvinden. Daartoe zijn rechters niet snel geneigd, omdat het doel van de openbaarheid de controleerbaarheid van de rechtspraak betreft.

 

Tot slot is vermeldenswaard dat de uitspraken, geanonimiseerd op tuchtrecht.nl worden geplaatst. Anonimiseren garandeert geen bescherming van het beroepsgeheim. Betrokkenen weten vaak aan de hand van de uitspraak feilloos terug te vinden dat de zaak op hen betrekking heeft al was het maar via rolnummers. Ook menen journalisten in bepaalde zaken de anonimiseren te kunnen laten vallen, daartoe gesterkt door een recente uitsprak van de raad voor de journalistiek). Kort gezegd als het belang van het publiek vergt te worden voorgelicht en de journalist is achter de naam van de advocaat gekomen, kan met naam en toenaam worden gepubliceerd. De weg naar de betrokken partij is dan een stukje korter geworden.

Tot zover mijn bespiegelingen over de geheimhouding en het verschoningsrecht. De bespiegelingen vind ik interessant om dat de praktijk wisselend met de materie omgaat. Soms worden creatieve oplossingen gevonden en soms zijn deze gelukkiger dan anders. Ik neem u mee naar een aantal voorbeelden uit de jurisprudentie:

meewerken aan kantoorbezoek: ECLI:NL:TAHVD:2015:221, 19 juni 2015. Dit betrof een zaak van voor 1/1/2015: volgens redenering advies Bannier cs: er was sprake van voldoende basis voor geheimhouding van de deken. Meewerken was verplicht: dat kostte de verweerder een waarschuwing.

ECLI:NL:TAHVD:2015:14 tussenbeslissing en 2015:281 eindbeslissing, Het hof had eerst de deken op gedragen onderzoek te doen naar feiten waarover klager had geklaagd, maar die buiten het feitencomplex vielen waarover verweerders in de zaak van klager verantwoording aflegden. De deken concludeerde dat er geen aanleiding was een bezwaar in te dienen. het hof wilde toch concreet weten wat zich had voorgedaan en liet zich door de deken in de zitting bijpraten nadat de klager de zittingszaal had verlaten en met de gang van zaken akkoord was gegaan.

ECLI:NL:TAHVD:2013:YA4171. Verweerder meende dat gegevens uit een rapport schending van zijn geheimhouding zouden opleveren. Omdat ander geanonimiseerd stuk wel de voor de zaak relevante conclusie bevatte, is met partijen overeengekomen het rapport buiten beschouwing te laten. ECLI:NL:TGZREIN:2016:85

Als door een patiënt wordt geklaagd, brengt de behandelaar het gehele dossier in. In dit geval werd niet door een patiënt geklaagd en ook niet door nabestaanden. In dit geval was de klager een tandarts die over een andere tandarts klaagden. Bovendien waren partijen ook nog broers van elkaar. De ene broer was tandarts en eigenaar van een praktijk voor tandheelkunde en orthodontie. De andere broer was in dienst van de praktijk en verrichte orthodontische werkzaamheden. Aanvankelijk deed hij dat onder leiding van een orthodontist, en na diens vertrekt deed hij dat zelfstandig. De tandarts/eigenaar klaagde over de orthodontist over a. het niet inachtneming van de zorg die van een bekwaam tandarts verwacht mag worden en tevens dat hij onvoldoende verantwoordelijkheid had genomen in de klachtzaak van een patiënte

Klager, de eigenaar van de praktijk had de patiëntenkaart ingebracht om zijn klacht te ondersteunen. Verweerder maakte dar bezwaar tegen omdat de machtiging daartoe ontbrak. In het dossier zat ook een ander rapport

ECLI:NL:TGZREIN:2017:15

Interessant is de zaak van de ouders van een overleden psychiatrische patiënt tegen een GZ psycholoog. Vooropgesteld dient te worden dat in het medisch tuchtrecht sneller dan in het advocatentuchtrecht, de nabestaanden ontvankelijk zijn in hun klacht. Als het verweten handelen het optreden van de arts rondom het overlijden betreft is dat wel logisch. In de advocatenzaken zijn dat over het algemeen geen aan elkaar gerelateerde kwesties en zijn nabestaande vaak niet- ontvankelijk

In deze zaak hadden de ouders van de patiënt die inmiddels was overleden als gevolg van het nemen van een overdosis medicatie een klacht ingediend over de kwaliteit van de behandeling en over het feit dat aan klager ten onrechte geen dossier was vertrekt.

De GZ psycholoog verweerder zich tegen deze klacht onder meer met de stelling de patiënte, als zij nog zou hebben geleefd, geen toestemming voor inzage in het dossier zou hebben gegeven. Het College overweegt eerst dat de advocaat van klager tot aan de tuchtprocedure onvoldoende had ondernomen om afgifte van of inzage in het dossier, eventueel in kort geding eventueel onder door klager zelf te verzinnen voorwaarden, af te dwingen en dat dit in deze tuchtzaak tegen de GZ psycholoog geen aanhouding oplevert en dat de gevolgen van voor klager komen die zijn klacht minder goed kan onderbouwen.

ECLI:NL:TAHVD:2016:25 Verweerder had een oplossing moeten zoeken om ondanks geheimhouding toch verantwoording af te leggen. Gegrond, berisping. Advocaat had oplossing moeten zoeken en vinden.

 

ECLI:NL:TAHVD:2014:255

Klager had in dekeninstructie gevraagd stukken niet aan de verweerder toe te sturen. De deken had dat toch gedaan. Het hof oordeelt in de zaak waarin de klager hierover een tuchtzaak tegen de deken aanhangig maakt: Naar het oordeel van het hof volgt uit de positie van de klager als volwaardige procespartij dat geen algemeen recht bestaat om het verweer en eventuele andere onderzoekshandelingen geheim te houden voor de klager, althans daarvan kennis te doen nemen. Verweerders instructie om zijn verweerschrift ( NB dit was het gehele verweer en de verweerder meende dat de klager alleen aangifte mocht doen en verder geen procespartij meer was) niet door te geleiden aan klager berust derhalve op een onjuist rechtsopvatting. De deken had in de ogen van het hof dus juist gehandeld.

ECLI:NL:RBDHA:2016:13758

Een (inmiddels oud )advocaat stond een cliënt bij en incasseerde gelden die op zijn derdenrekening staat. Hij stortte een deel door en verrekende een deel met zijn declaratie Uiteindelijk oordeelt de tuchtrechter dat niet verrekend had mogen worden. Er wordt geprocedeerd over het niet doorbetaalde deel en over de declaratie en, uiteindelijk doet de ex cliënt aangifte. Ex cliënt nr 2 verwijt de advocaat ook verduistering, waarschijnlijk ook een verrekening die niet was toegestaan, ex cliënt nr 3 verwijt de advocaat een valse handtekening onder een vaststellingsovereenkomst te hebben gesteld. Tevens wordt de oud-advocaat verdacht van het plegen van meineed. Hij had verklaard een ex cliënt te hebben gesproken op een moment dat hij in het ziekenhuis lag en niet aanspreekbaar was. Voor deze feiten is de oud advocaat strafrechtelijk veroordeeld.

De oud advocaat had weinig verweer kunnen voeren. Om verweer te kunnen voeren diende hij gebruik te maken van gegevens uit zijn dossier. De oud cliënten/tevens benadeelde partijen in het geschil, meldden de deken desgevraagd de oud advocaat niet te ontheffen uit zijn geheimhouding. De deken drukte de oud advocaat op het hart zijn geheimhouding niet te schenden.

De raadsman van de advocaat in de strafzaak probeerde een modus te vinden om aan alle aspecten recht te doen: het recht op verdediging van zijn cliënt, de geheimhoudingsplicht van zijn cliënt. Hij vroeg de zaak met gesloten deuren te behandelen aldus dat de benadeelde partij steeds alleen bij zijn stukje van de behandeling van de zaak aanwezig mag zijn. Dat werd toegestaan, maar toen meldde de curator van de oud advocaat zich bij de behandeling en hij wordt door de rechtbank toegelaten. Diens plicht relevante gegevens in een openbaar faillissementsverslag op te nemen, maakten dat de raadsman zijn verweer niet kon voeren. De rechtbank wilde de advocaat ook niet bevestigen dat in het vonnis geen vertrouwelijke informatie wordt vermeld. Daarop zag de raadsman zich genoodzaakt de rechtbank te wraken, maar dat mislukt. Vervolgens zag hij geen andere uitweg dan de verdediging neer te leggen. De oud advocaat wordt veroordeeld tot 240 uur dienstverlening, 4 maanden gevangenis voorwaardelijk. En daarnaast worden vorderingen van de drie benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag bijna € 50,0000,00 .

Conclusie:

  1. Er valt nog wel wat te verbeteren aan de wettelijke systematiek
  2. Wees als tuchtrechtadvocaat alert als je cliënt liefst alles wil zeggen dat hem vrij kan pleiten.
  3. Als je een beroep doet op je geheimhouding en de klacht is wel ontvankelijk, overweeg een alternatieve manier om verantwoording af te leggen.

 

  

 logo blauw

 

Contact:

Inge Schouwink
advocaat en coach in tuchtzaken
Graaf Engelbertlaan 75
4837 DS Breda

Telefoonnummer: 076 7002087

E:  advocaat@ingeschouwink.nl

M: 06-55796603

Twitter.png   Linkedin.png

ga('create', 'UA-77295716-1', 'auto'); ga('send', 'pageview');